Israël, strijder met God


Door: Sjouke van der naalt

Israël = Strijder met God

Een studie over verleden, heden en toekomst van land en volk van Israël

Hoe het begon

Het plan van God met de aarde en haar bewoners vindt zijn grond in het feit dat God verkoos op aarde een volk te vestigen, een nationaal koninkrijk, waarvan Hij de Koning en heerser zou zijn onder de naam Jahweh, waardoor Hij Zichzelf en de wijsheid van Zijn wetten kon openbaren.

God heeft Zich aan de mensheid geopenbaard door middel van individuele dienstknechten, maar de mensen hebben het in vrijwel alle gevallen laten afweten. Het begon al met Adam en Eva. Die faalden al direct. Verder weigerde men het getuigenis van Henoch en Noach. Na de vloed waren het Sodom en Gomorra en de omringende landen die het getuigenis van Melchizedek, de priester van de Allerhoogste weigerden.

”Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeër Abram; hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre, de broeder van Eskol en Aner, die Abrams bondgenoten waren. Toen Abram hoorde, dat zijn broeder als gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn geoefenden, degenen die in zijn huis geboren waren, in de strijd, driehonderd achttien man, en achtervolgde hen tot Dan toe. En zij verdeelden zich des nachts tegen hen in troepen, hij en zijn slaven, en versloegen hen en achtervolgden hen tot Choba toe, dat ten noorden van Damascus ligt. En hij bracht al de have terug, en ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk. Toen ging de koning van Sodom uit, hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal. En Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, En geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem van alles de tienden. De koning van Sodom nu zeide tot Abram: Geef mij de mensen, en behoud de have voor u. Doch Abram zeide tot de koning van Sodom: Ik zweer bij de Here, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde: Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt! Geenszins, alleen wat de knechten hebben verteerd en het aandeel der mannen die met mij gegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre, laten die hun aandeel ontvangen” (Genesis 14:13-24).

Ook het getuigenis van Abraham en Lot. Daarom oordeelde God hen. (2 Petrus 2:6-8).

Dan komen we in Genesis 15:13-16 tot de Amorieten. God had geruime tijd geduld met hen, maar ook zij bekeerden zich niet. Hierna komen we tot het verhaal van Abraham, die naar Egypte ging (Genesis 12:10) gevold door dat van Jozef (Genesis 31:1) door wien God Egypte redde van de hongersnood, maar ook de Egyptenaren verwierpen Hem.

God kwam toen tot Abram: “ ….Ik zweer bij Mijzelf…Ik zal u zegenen…..”. Genesis 15:18; 17:7; 22:16. Zo begon het met Abraham. En zal het eindigen als God alles in allen zal zijn. De wederkomst van Jezus Messias zal de grote ommekeer brengen. Maar vóór die tijd zal er in Israël nog veel geleden worden. De vijanden van ouds: de Filistijnen en de nakomelingen van Ismaël zullen nog lang het volk van zijn rust beroven. Maar één ding staat vast: de God van Israël zal zijn eed en beloften gestand doen. Baruch ata Adonai.
Geprezen zij Zijn Naam. Sjaloom.

Het begon met Abraham

Een eenvoudige uitdrukking, waarachter zich echter een wereld van beloften van God bevindt. Ook een plan. Een plan dat gekenschetst wordt door de roeping, het ontstaan van volk en land van Israël.

Verleden, heden en toekomst van Israël hebben sinds mensenheugenis ontelbaren geboeid. Zij hangen dan ook ten nauwste samen met Gods Plan met de mens en de wereld. God heeft verkozen hiervoor mensen te gebruiken en heeft Zich daartoe een volk uitverkoren om dit grote doel te realiseren.

De ontwikkelingsgeschiedenis van dit volk begint niet met “Israël”, maar met Abraham, de aartsvader uit het 14e geslacht na Sem, de oudste zoon van Noach.

Oppervlakkig gezien schijnt de opdracht van Genesis 12:1 “Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal” een willekeurige keuze. Als God Abraham kiest, verandert er iets in de Bijbelse geschiedenis.

Tot nu toe werd er voornamelijk gesproken over de plaats en de geslachten van de volken. Maar wanneer Abram (zoals hij toen nog heette) de geschiedenis ingaat, concentreert zich alle aandacht op hem. Dit is niet zo wonderlijk, want Abrahams voorgeslacht is uit God. Toen God de aarde schiep, deed Hij dat met de bedoeling de aarde te vullen met Zijn eigen beeld en gelijkenis. En aan dit menselijke wezen, dat Hij Ha-Adam noemde = mens, heeft God het beheer over de ganse schepping/aarde gegeven (Genesis 1:26-28).

Wat erg belangrijk is om te weten:

Deze Adam was een blanke man, hetgeen heel duidelijk bewezen kan worden door het feit, dat de Here Jezus het algehele beeld van God is. De Here Jezus was blank, omdat Hij in directe lijn afstamde van David die “rossig” was en “schoon van voorkomen” en een aangenaam uiterlijk had. “Daarop liet hij hem halen. Hij nu was rossig, ook had hij mooie ogen en een schoon voorkomen. Toen zeide de Here. Sta op, zalf hem, want deze is het”(1 Samuel 16:12)

God heeft Abraham gekozen uit zijn geslacht omdat Abraham raszuiver was, we lezen “oprecht in zijn geslacht”. Hier wordt het woord “Tamiem” gebruikt hetzelfde woord, dat er ook staat voor offerdieren, die immers volmaakt moesten zijn. Het woord “Tamiem” betekent o.a. zonder vlek, perfect, volmaakt – zuiver. Ditzelfde wordt ook gezegd van Noach. In 2 Petrus 1:10 lezen wij “Beijver u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen: want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen”.

God sluit met hem en zijn “Tamiem-nageslacht” een onvoorwaardelijk en eeuwigdurend verbond. Deze stap werd genomen toen Abram verbleef “in het Ur der Chaldeeën” (Mesopotamië), volgens informatie die alleen genoemd wordt in Genesis 15:5 en Nehemia 9:7; en door Stefanus in Handelingen 7:2-4, Het blijkt verder dat Abram en zijn familie, Ur verliet en noordwaarts reisde naar Haran (Genesis 11:31), waar hij andere familieleden ontmoette en verbleef tot de dood van zijn vader.

Het was na de dood van zijn vader, dat God Abraham Zijn plan bekend maakte. God sloot acht verbonden met de mensen. Wij zullen ons in dat verband bepalen tot het vijfde, het z.g. Abrahamitische Verbond, dat weer een achttal malen bevestigd wordt. (Genesis 12:1-3, 7; 13:1417; 13:14-17; 15:18; 17:1,2; 18:9,10; 21:12; 22:15-18). Het is dan ook het enige onvoorwaardelijke Verbond “waarbij God bij Zichzelf zwoer..” dat het aldus zou geschieden. De andere verbonden zijn allemaal voorwaardelijk en worden bepaald door: “Indien gij…dan zal Ik..”

Gods Plan

Hoewel wij zullen proberen dit belangrijke onderwerp kort samen te vatten, willen wij onze gegevens in ieder geval Bijbels staven. Hieruit blijkt Gods Plan “voor de gehele aarde”: Genesis 26 vers 4 en 5 zegt: “…en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden …” (volken die uit Abraham voortkomen). Deze belofte heeft God tweemaal herhaald (Genesis 18:18 en 22:18) en deze vervolgens overgedragen aan Izaäk in Genesis 26:4 en aan Jakob in Genesis 28:14.

Temidden van de onveranderlijke beloften treft ons die van Genesis 22:16-18 “Ik zweer bij Mijzelf…dat met uw nageslacht alle volken der aarde gezegend zullen worden”.

Het lijdt geen twijfel dat die zegen voor gans de aarde vanuit Gods gezichtspunt het bekend maken van Gods wil, weg, beloften, plan en zegen moet omvatten. M.a.w. wat wij nu noemen: zending en evangelisatie.

Ook wat het beloofde land voor Israël betreft: de omvang, de grenzen en het in bezit verkrijgen, laat de Bijbel geen twijfel bestaan. En op deze twee laatste gegevens ligt in deze brochure de nadruk.

De vraag blijft over: “Hoé (niet òf) God dit ten uitvoer zal leggen, want we weten hoe vaak het volk Israël rebelleerde. Maar God zegt “Ik zweer bij Mijzelf..” Als we deze vraag met spanning en vol verwachting stellen, is het of God antwoordt: “Volg de rode draad in Mijn Woord en gij zult het verstaan”. Daarom zullen we nu deze speciale belofte door het Woord heen gaan volgen. Even tevoren lezen we in Genesis 17:4-8 de voorbereiding van het verbond, als Abram wordt tot Abraham en Saraï tot Sarah. Dit betekent in het Hebreeuws voor beide namen de aanvulling met een ‘h’: Harnon, menigte (ook hoog, veel). En dan ontvangt ook Sarah (moeder der volken) een belofte: Zegen, een zoon, volken en koningen. (Genesis 17:16-19).

In Genesis 21:3 lezen wij van de geboorte van Izaäk – een wonder – Izaäk, de zoon der belofte. Wat God precies bedoelt, lezen we in Genesis 17:20,21. Op de vraag van Abraham antwoordt God: “Ismaël zal zeker gezegend worden, maar mijn verbond zal ik oprichten met Izaäk”. Abrahams nageslacht is verzekerd. Toch moet er nog iets ernstigs gebeuren. God stelt Abraham opnieuw op de proef. Hij zou Izaäk moeten offeren en God zweert opnieuw “bij Zichzelf” dat zijn nageslacht gezegend zal worden en tot zegen zal zijn. (Genesis 18:18 en Genesis 26:4). U kent ook de kolossale vergissing van Abraham en Hagar, waar Ismaël uit voortkwam, wiens nazaten op grond van de controverse “Izaäk/Ismaël” i.c. Israël/islam veel leed en strijd zouden veroorzaken.

Het begon met Abraham

Als we spreken over “Het begon met Abraham”, spreken we van een nieuw begin, want aan dat nieuwe begin ging het een en ander vooraf.

Aan de basis van ons verhaal staan twee pijlers die Gods trouw waarborgen: Israëls God zal zijn volk uiteindelijk recht doen, en ten tweede de belofte: “En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden”. De betekenis hiervan zullen we proberen te ontleden.

Wij kunnen beginnen met Adam en Eva, waarmee God een verbond sloot, het eerste van de acht verbonden in de Bijbel – het Edense verbond (Genesis 1:26-30). Er was slechts één voorwaarde gesteld, n.l. het uitoefenen van hun vrije wil in overeenstemming met het gebod van hun Schepper.

Wij kennen het verloop ervan. Kon God, al vergaf Hij de mens zijn zonde, de gevolgen van diens dwaasheid wegdoen? Er zijn twee redenen waarom dit onmogelijk is Ten eerste omdat God onveranderlijk is en nooit Zijn woord breekt en ten tweede, omdat God de mens een vrije wil gegeven had, die Hij hem niet zal ontnemen, maar respecteren, want dat zou hem in de toestand van willoosheid brengen.

Maar tezelfdertijd bood God een weg waardoor hij terug kon winnen wat hij verloren had. Die weg zou zijn wat de Hebreeën brief noemt “een nieuwe en levende weg” (Hebreeën 10:20).

Zo vinden wij in het tweede verbond de belofte van een Messias, die het vernielende – werk ongedaan zou maken (Het Adamitische Verbond, Genesis 2:16-17).

Verdergaand met Abraham weten we dus dat God met hem de draad opnieuw opvatte, toen hij geroepen werd het land van zijn geboorte te verlaten. We weten niet waarom Abram werd geroepen. Als we het verslag in Genesis 11:31 nagaan, dan is er geen argument genoemd voor de afreis van Abram en zijn familie uit Ur in ZuidMesopotamië anders dan een persoonlijk besluit van Terah, Abrams vader, Ur te verlaten en naar Haran te reizen waar anderen van dezelfde familie reeds verbleven.

De opmerking dat Abram werd geroepen uit Ur komt van de toespraak van Stefanus voor het Sanhedrin (Handelingen 7) waarin hij zegt, dat God verscheen aan Abram toen deze in Mesopotamië was en hem opdroeg zich af te scheiden van het land en de inwoners. Hiervan vinden we geen vermelding in Genesis 11, waar verklaard wordt, dat Terah met zijn familie het Ur der Chaldeeën verliet en ongetwijfeld was dit waaraan Stefanus refereerde.

“Mesopotamië” is een Grieks woord dat betekent “tussen de rivieren”, een aanduiding dat dit land gelegen was tussen de Eufraat en de Tigris, die samenkomen in de Perzische Golf. Een bijbelse kaart toont aan, dat Ur gelegen was op de Westbank van de Eufraat en als zodanig was het land bekend als Sumer, Sinear of Babylonië.

Waarom werd juist Abraham geroepen?

Als Amrafel koning van Sinear was (Genesis 14:1) dan waren hij en Abram tijdgenoten. Abraham leefde dus in een periode van strijd. Dit is een interessant gegeven: zoals in Genesis 26:5 gezegd wordt, werd Abraham geroepen omdat hij naar God geluisterd had en Zijn geboden en inzettingen en wetten onderhouden had, dus ook de wet van zich afzijdig houden van andere volken, geen rassen vermenging (Genesis 26:5).

Dat was ongeveer vier eeuwen voor de wetgeving was gecodificeerd en aan Israël gegeven bij de Sinaï. Dit wijst erop dat de “Wet des Heren” bekend was in een vroegere periode en dat Sem en zijn nakomelingen deze kenden en toepasten – hoe kon anders Abram weten van en gehoorzaam zijn aan Gods wet?

Het was door de veelheid van religies in die regionen dat Abram geroepen werd zich “af te scheiden”, een scheiding die hem afzonderde van zijn eigen mensen die ongetwijfeld beïnvloed werden door andere religies.

Behalve gehoorzaam te zijn aan Gods wet, was Abram gehoorzaam aan Gods stem, die eiste dat hij zich los zou maken uit de degeneratie die plaats vond in het land van zijn geboorte. Los van de rassenvermenging die snel om zich heen greep.

En dit was ook het patroon dat God volgde voor het volk dat Hij zou bouwen: ISRAËL – Het volk van God. Wel mogen we in gedachten houden dat Abram (Ab Ram – vaders geliefde), op grond van zijn geboorteland en afstamming noch jood, noch Israëliet was. Mesopotamië stond in bijbelse tijden als Babylon bekend, en vóór die tijd als Sumer of, zoals Genesis 11 het vertaalt, als Sinear. Abram was dan ook niet besneden. Dat “besnijdenis-verbond” kwam later. In Genesis 14:13 wordt hij de Hebreeër Abram genoemd.

Gods onverbrekelijke belofte

“Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren…Met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden…” (Genesis 22:16-18).

We kunnen ons nu een beeld vormen waaruit die “zegen voor de ganse aarde” ongetwijfeld zal bestaan. Het was omstreeks 1900 v. Chr. dat God sprak tot Abram, toen hij nog in Chaldea woonde, en hem opdroeg uit de gaan “naar het land dat Ik u wijzen zal…” Toen Abram in het land Kanaän -nu genoemd Israël of Palestina- kwam, sprak God opnieuw. “Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven” (vers 7). Deze beloften werden later belichaamd in een eeuwigdurend verbond, toen God sprak: “Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen en koningen zullen uit u voortkomen…en uw nageslacht tot een God zijn”. (Genesis 17:6-8).

Dus God is de God van het nageslacht van Abraham, dit is van het uiterste belang om te weten, dus niet de God van de andere natiën. Deze beloften werden herhaald aan Abrahams zoon Izaäk en aan zijn kleinzoon Jakob, wiens naam in die bijzondere nacht in Pniël veranderd zou worden in Israël (Genesis 32:28-30). Het belang dat God aan deze basis hechtte, wordt vastgelegd in Genesis 22:16, waarin God voor tijd en eeuwigheid vaststelt: “…Met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden…”

Jakob (Israël) had twaalf zonen, met wie hij migreerde naar Egypte, maar deze deelden niet allen evenredig in die beloften. Kort voor hij stierf, plaatste Jakob zijn oudste zonen Ruben en Simeon terzijde vanwege hun slechte gedrag en stelde Efraïm en Manasse, de twee zonen van Jozef (de zoon van zijn lievelingsvrouw Rachel) in hun plaats.

Hij zegende hen met het bekende gebaar van gekruiste handen, waarbij hij de jongste van de twee tot “eerstgeborene van Israël” stelde. (Genesis 48:5; 1 Kronieken 5: l).

Merkwaardig blijft Jozef, ook later, als eerstgeborene geacht. De lijn Abraham – Izaäk – Jakob wordt doorgetrokken naar Efraïm en Manasse. In Genesis 48 lezen we hoe Jakob aan Jozef verzoekt zijn twee zonen tot hem te brengen, om op hen de zegen over te dragen. Jozef plaatste de oudste, Manasse voor Jakob’s rechterhand en Efraïm voor zijn linker. Toen deed Jakob in de ogen van Jozef iets vreemds. Hij kruiste zijn armen en stelde de jongste, Efraïm tot eerstgeborene van Israël. Jakob zei in antwoord op de opmerking van Jozef, dat hij heel goed wist wat hij deed.

Deze gebeurtenis had verstrekkende gevolgen en vormt een van de markantste hoogtepunten in de geschiedenis van Israël. Jakob/Israël deed (vers 18) zijn naam èn die van zijn vader Abraham en die van Izaäk in deze jongelingen voortleven “en zij mochten in menigte toenemen in het land”.

Koninkrijk, ballingschap en terugkeer.

Kort daarna ontbood Jakob zijn zonen en zei: “Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in de toekomende dagen (eindtijd) wedervaren zal” (Genesis 49:1). Van Juda werd voorzegt: De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt (Genesis 49: 10) (d.i. totdat Jezus gekroond wordt). Er werd vastgesteld dat Juda “de sterkste onder zijn broeders” zou zijn en dat uit hem een vorst zou voortkomen, maar het eerstgeboorterecht (het leiderschap) viel ten deel aan Jozefs zonen (1 Kronieken 3:2)

Wij zien dus dat de beloften die gegeven waren aan Abraham, Izaäk en Jakob verdeeld werden over de twaalf stammen, zodanig dat Efraïm en Manasse het belangrijkste deel (of geboorterecht) ontvingen, met inbegrip van de belofte, dat zij zouden worden tot “een groot volk en een veelheid (menigte) van volken”.

Ongeveer 200 jaar later werd het volk van Israël, nadat zij aanmerkelijk in aantal toegenomen waren, door Mozes uit Egypte geleid. Nadat zij de Goddelijke wet bij Sinaï ontvangen hadden betraden zij het beloofde land en begon hun nationaal bewustzijn.

Het koninkrijk en de scheuring

Israël verkreeg het land op voorwaarde dat het de wet zou houden (Deuteronomium 4:25). Het duurde nog enige tijd voordat het volk “een aardse koning” eiste, maar na het falen van Saul, wees God David aan, uit de stam van Juda, als de stichter van het koninklijk huis, overeenkomstig de geloften aan dat huis (2 Samuel 7:16). Hierin wordt gesteld dat “uw troon vast zal staan voor altijd”. God zegt ook: “Aan mijn knecht David heb Ik gezworen: Voor altijd zal Ik uw nakroost bevestigen en uw troon bouwen van geslacht tot geslacht” (Psalm 89:4-5). Dit zou betekenen dat van geslacht tot geslacht de troon van David steeds bezet zou blijven.

Aldus zou niet alleen Israël als volk voor eeuwig bestaan, maar er zou ook voor alle tijden en voor elke generatie een koningshuis bestaan, en ook een consdtutionele monarchie. “Indien uw zonen voor mijn aangezicht wandelen, dan zal het u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël” (2 Koningen 2:4).

Hoewel de beloften aan het koninklijk huis als onvoorwaardelijk golden, waren er wel voorwaarden aan verbonden met betrekking tot het individu op de troon. Ondanks het feit dat God bijzondere beloften deed aan David en de troon als “de troon van David” bewaard zou worden tot de rechtmatige erfgenaam, Jezus Christus, deze zou bezetten, faalde David zodanig dat niet hij, maar zijn zoon Salomo “de Tempel des Heren”zou mogen bouwen.

Maar ook Salomo zondigde. Nu volgt een passage die voor ons van het grootste belang is. We lezen in 1 Koningen 11:1l-13 hoe God het koninkrijk van Salomo afneemt “Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, terwille van uw vader David”.

Dan zegt God, dat Hij niet het gehele koninkrijk zal afscheuren, maar één stam aan diens zoon zal geven, ter wille van David en ter wille van Jeruzalem. In 1 Koningen 1:1l-13 lezen we dat hiermee de stam Benjamin bedoeld wordt, wiens stamgebied Jeruzalem omvat.

Het is heel opmerkelijk hoe God de stam Benjamin bij de stam Juda voegt. Vanaf die tijd gaat de stam Juda, samen met de stam Benjamin en enkele van de Levieten de bijbelse geschiedenis in als “het huis Juda”. In 1 Koningen 11:9-23 wordt beschreven hoe God dit doet, o.a. door de profeet Ahia, die de mantel in twaalf stukken scheurt en Jerobeam daar tien stukken van geeft, daarmee de tien stammen uitbeeldend. De andere twee zijn voor Rehabeam.’-

Toen Salomo stierf, rebelleerde Israël, in het bijzonder de 10 stammen tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, die liever naar de jonge vrienden luisterde, dan naar de raad der “ouden” en de lasten nog zwaarder maakte dan Salomo al deed. “Niemand volgde het huis van David dan Juda alleen” (1 Koningen 12:20). En, zoals we weten, samen met de stam Benjamin.

De overige 10 stammen vormden een eigen afgescheiden koninkrijk met Samaria als hoofdstad en Jerobeam als hun koning.

In het verlangen ook de 10 Noordelijke stammen onder zijn gezag te brengen (het huis Israël), evenals zijn vader Salomo, riep Rehabeam het gehele Huis Juda en het huis Benjamin bijeen en trok met 180.000 strijdbare mannen op, om te strijden tegen het huis Israël (de 10 Noordelijke stammen) (1 Koningen 12:8-24).

Toen trad de profeet Semaja (de man Gods) op zijn weg en sprak: “Zo zegt de Here: Gij zult niet strijden tegen uw broeders, de Ismaëlieten. Keer terug, ieder naar zijn huis, want door Mij is deze zaak (de scheiding tussen de 2 en de 10 stammen) geschied”.

Zij luisterden en gingen terug. Dit was ook overeenkomstig de beschikking “van ‘s Heren wege”, zoals tot Jerobeam gesproken was (1 Koningen 12:15).

De vraag is gerechtvaardigd “Waarom” scheidde God de twee van de tien stammen? Alles wat God doet is zinvol. Het is, zoals we zullen zien, dan ook een onderdeel van Gods Plan. Onafwendbaar en zeker. God heeft gesproken. Wij komen daar later op terug.

Gedurende twee en een halve eeuw regeerden dynastieën die niet gerelateerd waren aan David over deze tien stammen. Alleen de twee stammen Juda en Benjamin bleven trouw aan het huis van David, dat de troon te Jeruzalem bezet hield, onder Rehabeam.

Zoals voorzegd door Mozes vervielen deze tien stammen (onder Jerobeam) tot afgoderij, vooral toen deze o.a. twee gouden kalveren gemaakt had en deze door zijn volk liet aanbidden. Bijgevolg werden deze tien stammen in ballingschap gevoerd. Daarom was de Here toornig op Israël en had hen “van voor Zijn aangezicht verwijderd”. “Niets bleef over dan alleen de stam van Juda” (2 Koningen 17:18)

En de koning van Assur voerde Israël naar Assur…nadat zij niet hadden geluisterd naar de Here hun God. (2 Koningen 17:12, 23).

Een paar jaar later trok Sanherib, de koning van Assur op tegen de versterkte steden van Juda en bezette deze. (2 Koningen 18:13) Maar Jeruzalem hield aanvankelijk stand en de twee stammen van het huis Juda bleven voor meer dan een eeuw voortbestaan. Maar ook zij vervielen tot afgoderij en zonken nog dieper dan Israël, onder meer door het branden van mensenoffers, zodat God zei: “Afkerigheid Israël heeft zich gerechtvaardigd boven trouweloze Juda” (Jeremia 3:11).

Bijgevolg gingen ook zij omstreeks 604-586 v. Chr. in ballingschap, maar zij werden door Nebukadnezar afgevoerd naar Babylon.

De terugkeer uit ballingschap van het huis Juda

Vele jaren nadat de tien stammen “verdwenen” waren in de Assyrische ballingschap, werden de Judeeërs in ballingschap gevoerd naar Babel. Daar (en vooral bij hun terugkeer) kregen zij voor het eerst de naam “Joden”. (In de Statenvertaling vanaf Ezra 4:12, in de N.B.G. vertaling vanaf Nehemia 1:2)

Na 70 jaar ballingschap keerden ongeveer 50.000 uitgelezen mensen uit Babylon terug onder Zerubbabel en werden dus bekend als “Joden” (Judahieten, Jews, Joden). Maar in enkele Oudtestamentische boeken, geschreven na hun terugkeer, zoals het Boek der Kronieken, noemen zij zich soms Israël, omdat zij de enige nakomelingen waren, die een nationaal bestaan kenden in het land. Ezra 3:5 geeft een gedetailleerde lijst van hen die terugkeerden.

God gebruikte een heidense koning, Kores – op grond van Jeremia’s profetie – om het huis Juda naar het land terug te zenden en de stad en de tempel te herbouwen (Ezra 1, 2 en 3). Degenen die terugkeerden behoorden allen tot het huis Juda, met inbegrip van 1500 mannelijke personen van families die apart genoemd worden in Ezra 8:1-14. Nehemia was 12 jaar lang landvoogd over Juda.

Ongeveer honderd jaar nadat de eerste ballingen teruggekeerd waren en driehonderd jaar nadat het huis Israël weggevoerd was door de Assyriërs, maakte Nehemia een register van de bevolking. Dit lezen we in Nehemia 11. Het register laat zien, dat alleen de stammen van Juda en Benjamin aanwezig waren, naast de priesters en de Levieten. Ook Flavius Josephus schrijft dit in ongeveer 90 n. Chr. “Er zijn slechts twee stammen in Azië en Europa, onderworpen aan de Romeinen, terwijl de tien stammen over de Eufraat een immense menigte moeten vormen”. (Boek II, hoofdstuk 5:2)

De naam “Jood” geldt daarom alleen voor hun nakomelingen, niet voor hun voorouders en ook niet voor de (andere) tien stammen. Die waren zelfs de naam “Israël” kwijtgeraakt. De “Joden” zijn dus slechts een klein deel van het volk Israël, dat uit twaalf stammen bestond. Bovendien hebben vele anderen zich later bij de Joden aangesloten, ja, hele volken hebben zich bij het Joodse volk laten inlijven, o.a. de Idumeeërs en de Chazaren.

De Joden vervullen zeker een taak in het plan van God; de tien stammen zouden echter volgens de profetie in de toekomst eveneens een voorname rol spelen, omdat het belangrijke eerstgeboorterecht hun was toebedeeld. De Joden -zelf zeggen, dat zij van slechts twee van de twaalf stammen afstammen en dat zij niet vermengd zijn met de tien stammen.

Terug uit ballingschap

Als we de verslagen lezen van de terugkeer uit de ballingschap, is het heel gauw duidelijk, dat het hier gaat over de Babylonische ballingschap. Nergens is er sprake van teruggekeerde ballingen uit Assyrië.

Op dat moment begint ook de moeilijkheid met het woord Joden. Er zijn dan Joden, die van Juda afstammen, Judahieten kunnen we hen noemen, mensen die het Joodse geloof aanhangen. Zeer belangrijk is daarvoor het bijbelboek Esther, waarin we kunnen lezen dat vele mensen Joden werden, “want de schrik voor de Joden was op hen gevallen”. Deze nieuwe Joden stamden niet plotseling van Juda af, maar namen de godsdienst van de Joden aan.

Er komen nog een paar interessante dingen bij als we de geschiedenis gaan bestuderen. De belangrijkste schrijver van de vroegste geschiedenis van de Joden is Flavius Josephus. Hij beschrijft in Boek 13 van Joodse Oudheden, hoofdstuk 17, hoe Johannes Hyrcanus uit het huis der Makkabeeën, omstreeks 125v. Chr. de Edomieten in het Jodendom inlijfde. Hyrcanus nam ook de steden Andorra en Marissa in Idumea in en nadat hij dat ganse landschap onder zijn bewind gebracht had, stond hij de ingezetenen toe daar te blijven wonen, mits zij zich lieten besnijden en zich naar de Joodse godsdienst schikten. De vreze van uit hun land verdreven te worden, deed hen die voorwaarden aannemen en sedertdien zijn zij altijd als Joden aangemerkt geweest.

In hoofdstuk 19 van hetzelfde boek beschrijft Josephus de regering van de zoon van Hyrcanus, Aristobuius, die zich tot koning der Joden laat kronen en een Ismaëlische stam inlijft in het Jodendom …”hij deed de Itureeërs de oorlog aan, veroverde een gedeelte van hun land hetwelk hij aan Judea hechtte, en hij dwong de ingezetenen zich te laten besnijden en naar de Joodse wijze te leven”. Het is duidelijk dat hiermee vijanden van Israël in het Jodendom werden opgenomen. Als we daarbij letten op de gelijkenis van de goede en de slechte vijgen, dan kunnen we de goede vijgen terugvinden in Galilea en de slechte in Judea. De Galileeërs hebben Jezus niet verworpen en Jezus heeft het grootste gedeelte van Zijn werk in hun land verricht. Hij kwam weinig in Judea.

Israëliet, Judahiet en Jood

Als men over het volk Israël spreekt, wordt veelal de algemene roepnaam “Jood” gebruikt Waar komt die naam vandaan? De eerste maal, dat deze naam in de Nederlandse vertaling voorkomt, is in Nehemia 1:2 (Esther 2:5). De Hebreeuwse tekst heeft hier het woord “Yehuwdy”, wat betekent: een Judahiet, een afstammeling van Jakobs vierde zoon Juda (“yehuwdah”). Van dit woord heeft “men” een “vertaling” willen geven als “Jood” in onze taal, Jew in het engels, Jude in het Duits, enz. Hiertegen kan weinig of geen bezwaar gemaakt worden. Maar nu komt de misère en het verwarrende. In plaats van nu dit woord “Jood” uitsluitend en terecht op te vatten als “Judahiet” of eventueel “Judeeër” (een man uit het land van Juda) heeft “men” de naam “Jood” ook gegeven aan mensen, die helemaal niet van Juda afstammen of uit het land Juda afkomstig zijn. Die naam is ook gegeven aan al diegenen die het joodse geloof hebben aangenomen, onverschillig tot welk volk zij door afstamming behoorden.

Hele volksgroepen hebben in de historie hetzij gedwongen, zoals de Idumeeërs of Edomieten, hetzij vrijwillig, zoals de Chazaren, dit geloof omhelsd. Ook in Israël zelf werd de naam Jood uitgebreid. Zo schrijft de “Christelijke Encyclopedie” (Prof. Dr. F. W. Grosheide in het artikel “Jood”) dat deze naam later werd gegeven aan allen, die van Abraham afstammen. Maar naar deze opvatting zouden ook de nakomelingen van Abraham en Hagar en Ketura (Genesis 16:15 en 25:1, 4) “Joden” zijn. In de Bijbel is geen enkele aanduiding te vinden waaraan men de bevoegdheid zou kunnen ontlenen om de namen “Yehuwdy” in het Oude Testament of “loudaios” (Grieks) in het Nieuwe op iemand anders toe te passen dan op “een man van Juda”, dan wel op “een man uit het land van Juda”.

Onder de genoemde groep mensen die van buiten Israël gekomen zijn, nemen de Chazaren een dermate grote plaats in, die we die groep nader zullen toelichten.

De Chazaren

De “Jewish Encyclopaedia” (1904) vermeldt dat de 10e eeuwse Chazaarse koning Joseph een brief schreef aan Hasdai ibn Shaprut inzake de geschiedenis van zijn volk. Daarin vermeldde hij dat in de 8e eeuw de Byzantijnse keizer en de Kalief van de Ismaëlieten boodschappers zonden naar koning Bulan met het doel hem te bekeren tot hun respectievelijke religies.

In aansluiting hierop wordt beweert dat Bulan ook de vertegenwoordigers van de Joden inviteerde, en besloot te kiezen voor het Joodse geloof Dat was omstreeks het jaar 780.

Uit verschillende verslagen zou blijken dat het nog enige tijd duurde, voor het volk het voorbeeld van de koning volgde en het was pas aan het einde van de 9e eeuw dat de Chazaren als geheel een Joodse natie werden.

Wie waren die Chazaren? Daartoe moeten we melding maken van een volk, dat door de Romeinen Akatzirs en door de Perzen en de Armeniërs Khazirs wordt genoemd.

In de 6e eeuw lag Chazaria, even ten noorden van de Kaukasus, op een hoofdweg voor mensen van verschillende oorsprong, die vluchtten voor de rovende hunnen.

Aan het eind van de 9e eeuw begon men zich te vestigen binnen de grenzen van Chazaria en men vindt in dit Chazarisch volk verschillende rassen van Turko-Mongoolse oorsprong, eenvoudigweg genoemd Chazaren, terwijl een andere groep onderscheiden werd met de naam Kara-Chazaren, hetgeen duidt op “donkere typen”. Deze mensen, ook van verschillende oorsprong werden samen het volk der Chazaren.

Binnen anderhalve eeuw na aanvaarding van het Joodse geloof verdwijnt de naam “Chazaren” uit de geschiedenis en toen in de 11e eeuw het Chazaarse koninkrijk ten onder ging, werd het volk van dat koninkrijk eenvoudig bekend als “Joden”.

Hun raciale oorsprong, d.w.z. Turkse en Mongoolse typen plus de kara of donkere typen, die gebundeld werden tot Chazaren en de naam Jood kregen hadden nooit enig contact gehad met Jakob-Israël, het Beloofde Land of Gods verbonden. Op deze wijze werden – volgens de Jewish Encyclopaedia en andere bronnen – de heterogene Chazaren tot het Judaïsme bekeerd en werden Joden genoemd.

De Encyclopaedy Britannica (1882) erkent het principe van de bekering der Chazaren tot het Judaïsme, maar vermeldt niet de keuze uit de drie religies, Islam, Christendom en Judaïsme.

Wel meldt de Encyclopedie een bepaalde periode. Het was het begin van 80 jaar van onophoudelijke, verbeten en inefficiënte oorlogvoering tegen de Islam. Vóór de gehele natie het Joodse geloof omhelsde, vindt men een poging door Michael de Derde, de keizer van Byzantium de Chazaren tot het christendom te bekeren. De zendelingen Cyrillus en Methodius bereikten Itil, een toen al florerende handelsstad, maar na een jaar keerden zij terug naar de orthodoxe patriarch in Constantinopel en meldden de mislukking van de missie.

Toen kwamen de Joden in dat gebied op de vlucht voor de vervolging in Rome en Constantinopel en beweerden een verre relatie te hebben met het Chazaarse volk. Aangezien de Chazaren een verzameling vormden van verschillende volken is het moeilijk het eens te zijn met Hasdai ibn Shaprut’s bewering dat de Chazaren eens op de berg Seir, het tehuis van de Edomieten verbleven. De Joden zochten en vonden een vluchtplaats in Itil. Een van hun eerste daden was het bouwen van een synagoge. Door de vestiging van een economische structuur, die kapitaal van buiten aantrok, werd Itil een belangrijk handelscentrum.

Toen het geld binnenstroomde, is het geen wonder dat de Chazaarse koning en zijn “hof” bekeerd werden tot dit geloof dat al de ingrediënten bezat van macht door rijkdom.
Hun regeerders adopteerden Hebreeuwse namen. Bulam’s opvolger was Obadja, die op zijn beurt opgevolgd werd door Hizkia, zijn zoon Manasse en daarna door Isaak, Mozes en Aäron. Jozef verschafte ons de geschiedenis van de Chazaren. Dit was de zoon van Aäron.

Anderen beweren dat de Chazaren afstammen van Askenaz, de kleinzoon van Jafeth. Aangezien zij veelal analfabeten waren werden zij mondeling geïnstrueerd in de oudtestamentische Misnach en de Talmud en het is begrijpelijk dat zij, toen zij leerden lezen en schrijven, Hebreeuwse lettertekens voor dit doel gebruikten, voor zover dit mogelijk is.

Wat gebeurde er verder met Israël?

Een kort overzicht van de jaren 636 v. Chr. tot 70 n. Chr. Met de terugkeer uit Babylon van het overblijfsel van het huis Juda, begon de zes eeuwen durende periode van Juda als natie. Na het decreet van Cyrus, in 536 v. Chr. begonnen de Joden met de herbouw van de tempel. Zij werden vrijwel direct gehinderd door de Samaritanen, die een deel van het werk opeisten, omdat ook zij nu de God van ISRAËL aanbaden – een eis die minachtend verworpen werd door de Joden. (Ezra 4:3) De intriges van de Samaritanen brachten het werk echter wel tot stilstand, totdat enige jaren later koning Darius de opdracht vernieuwde. Hoewel de tempel werd herbouwd, bleven de muren en de stad Jeruzalem zelf ongerestaureerd totdat het pleidooi van Nehemia opnieuw de mogelijkheid van herstel bracht, ditmaal onder Artaxerxes. De identiteit van deze koning blijft in het ongewisse, hoewel men steeds gedacht heeft dat de Bijbel in Nehemia 2 verwees naar Artaxerxes Longimanus, wiens “twintigste jaar” (de dag van het decreet) viel in 445 v. Chr. Anderen zeggen dat de Artaxerxes (grote Shah) van Nehemia eerder Darius Hystaspes was, die regeerde van 521-485 v. Chr.

Vanaf die tijd was de kleine Joodse natie veelvuldig in strijd verwikkeld. Na de val van Perzië werd het een twistpunt tussen de beide grootmachten Syrië en Egypte, voor meer dan een eeuw.

Na de dood van Alexander de Grote bezette Seleucus het Syrische deel van het keizerrijk. Ptolemeüs 1 trok zijn troepen terug uit Israël en nam met zich mee 30.000 Joden om het Egyptische front te bezetten. De Syrische overheersing werd uiteindelijk gevestigd in 198 v. Chr. door Antiochus de Grote. In 168 v. Chr. nam Antiochus Epifanes de kans waar om in te grijpen in een kleine Joodse burgeroorlog inzake het hogepriesterschap. Hij beging onvoorstelbare wandaden, waarvan wel de ergste was het offeren van een zwijn op het tempel-altaar.

Het Joodse geloof werd verboden. Dit en de ernst van de Syrische onderdrukking culmineerde in de opstand der Makkabeeërs. Na jaren van strijd vestigde Simon Maccabeüs voor een korte tijd de Joodse onafhankelijkheid. Verdere Syrische agressie werd gebroken door Johannes Hyrcanus, die het Syrische juk opnieuw afwierp en ook de Edomieten – de traditionele vijanden van Israël – werden gedwongen het joodse geloof te aanvaarden en ingevoegd te worden in de Joodse natie. (130 v. Chr.) De ellende die daaruit voortkwam wreekt zich nog tot op de huidige dag.

Gedurende de regering van Hyrcanus ontwikkelde zich de scheuring tussen de Farizeeërs en de radicale Sadduceeërs. Onaangename tijden volgden tot 65 v. Chr. toen de burgeroorlog opnieuw uitbrak over het hogepriesterschap. Beide zijden beriepen zich op Rome.

Pompeus, die toen over Syrië regeerde, bezette zonder enige strijd van betekenis Jeruzalem en het land werd een deel van het Romeinse Imperium. Zelfs onder de Romeinen hield de interne strijd nog niet op.

Toen volgde de periode van de Herodessen. In 47 v. Chr. werd Antipater door de Romeinen aangesteld als procurator over Judea; een rivaal van deze werd spoedig overwonnen door Antipater’s zoon, Herodes de Grote.

Deze werd de heerser in 37 v. Chr. Gedurende zijn regering werd de stad en de Tempel herbouwd (20 v. Chr.) en werd even later onze Heer geboren.

Herodes , zoon Archelaus volgde hem op, maar werd in het 7e jaar verdreven. Zijn broeder, Herodes Antipas, aan wie Jezus refereert als “die vos”, volgde hem op.

Een aantal jaren beheerste het nieuwe geloof in Jezus Christus het beeld. Het Joodse verzet tegen de overheersing van de Romeinen nam toe en resulteerde in de bezetting en vernietiging van Jeruzalem door Titus in 70 n. Chr., toen vrijwel alles wat over was van de Joodse natie werd uitgeroeid en veelal -als slaven verstrooid. Ook de geslachtsregisters werden vernietigd.

Wat gebeurde er met de tien stammen?

In 741 v. Chr. werd de eerste golf, de Transjordaanse stam Manasse in ballingschap gedreven. Dat was het begin van de deportatie die alle tien stammen zou treffen. In 721 v. Chr. kwamen ook de andere negen stammen in Assyrië in slavernij.

De Assyriërs, wier koninkrijk reikte van de Perzische Golf tot Cilicië, Syrië en Egypte, die verantwoordelijk waren voor de deportatie van het Noordelijk koninkrijk van Israël, lieten verslagen na die in bibliotheken werden teruggevonden. Deze hebben veel bijgedragen tot kennis van de geschiedenis van die tijd.

Het verslag in 2 Koningen 17:24 waarin de namen van de verschillende volken genoemd worden die de koning van Assur in de verlaten steden van Israël deed wonen, toont duidelijk aan dat het onmogelijk was voor Israël om na de val van het Assyrische rijk terug te keren naar hun vroegere thuisland. Bovendien was Israël een “scheidbrief” (Jeremia 3:8) gegeven, die onder de wet (Deuteronomium 25:1-4) betekende dat Israël niet kon terugkeren tot haar oude status.

De vraag rijst daarom – wat gebeurde er met het volk van het Noordelijk koninkrijk van Israël? Is er enig verslag waar getoond wordt waarheen zij gingen nadat de Babyloniërs de Assyriërs opgevolgd hadden als het dominerend koninkrijk van die dagen?

Er is een Apocrief verslag in 2 Esdras 13:40-45 dat zegt dat de tien stammen “…de Eufraat overtrokken bij de smalle overgangen van de rivier en passeerden door de donkere valleien van het Kaukasus-gebergte. Zij kwamen in een gebied genaamd Arsareth”.

Los van dit verslag is er geen andere concrete verwijzing naar deze meerderheid van Israël-families in Oudtestamentische tijden. Aldus schijnt er duisternis te vallen over Jakob/Israël. (Deuteronomium 28:15, 28) Maar niettegenstaande dit alles moeten we in gedachten houden dat God had gegarandeerd: dat zolang de zon, de maan en de sterren zouden blijven bestaan, het zaad van Israël voor eeuwig als een volk voor Hem zou blijven bestaan. (Jeremia 31:35)

De stilte van de laatste vijf eeuwen van de Oudtestamentische periode ging ononderbroken voort en behalve een paar korte toelichtingen in het Nieuwe Testament lijkt het of Israël onder een nieuwe naam en sprekend in andere talen weggleed in vergetelheid.

De referenties in het Nieuwe Testament zoals Jakobus 1: 1 waar alle twaalf stammen buiten Judea en Palestina (dus daarmee de Joden scheidend van enige binding met Israël) en in 1 Petrus 1:1 waar een deel van Israël nog wordt beschreven als te verblijven in Klein-Azië: Uitverkorenen naar de voorkennis van God.

Hoewel er in het Midden-Oosten toch grote en interessante bibliotheken waren die veel informatie bevatten over die tijd, zal men zich verwonderen waarom Israël als zodanig nergens wordt vermeld. Het antwoord is betrekkelijk eenvoudig. Men herinnert zich dat het volk blind zou worden voor de eigen identiteit; het zou bij een andere naam genoemd worden en een andere taal spreken.

Het is interessant na te gaan waar dit massale volk heengetrokken zou zijn, en welke namen zij in de loop der eeuwen zou krijgen en aannemen. Voor Paulus, Jakobus en de Here Jezus zelf was het kennelijk geen probleem.

Zoals we zagen wordt het herstel van het ganse Israël veelvuldig herhaald. Hierbij droeg het huis van Jozef het .”eerstgeboorterecht” in zijn beide zonen Efraïm en Manasse, als hun deel van de zegening, met Efraïm als eerstgeborene (Jeremia 31:9b).

Hun beider toekomst wordt voorzegd in de gelijkenis van de twee stokken, zoals beschreven in Ezechiël 37 IS: “Neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef – het stuk hout voor Israël – en het gehele huis Israël dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot een stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden…Ik voeg het stuk hout van Jozef, dat aan Efraïm toebehoord bij het stuk hout van Juda en maak ze tot een stuk houd zodat zij één zijn in mijn hand”.

Dit verhaal van de “samen binding” die het samen-vergaderd-worden van Israël beschrijft, krijgt gewoonlijk niet de aandacht die het verdient Maar Jezus, in zijn gesprek met de Farizeeërs van Zijn dagen, toonde dat de scheiding wel degelijk bestond, ook als Hij zegt: “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls” en tot Zijn discipelen zegt Hij: “Begeef u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls” (resp. Mattheüs 15:24 en 19:6).

We weten dat tussen 741 en 721 v. Chr. (een 20-jarige periode) de tien noordelijke stammen van Israël overwonnen werden en in gevangenschap weggevoerd naar het Kaspische gebied. Samaria, de hoofdstad van de tien stammen werd het eerst veroverd door Tiglath-Pileser in 721 v. Chr. en iets later door zijn opvolger Salmaneser. Gedurende die jaren “namen de koningen van Assur Samaria in en voerden Israël weg naar Assur en deed hen wonen in Halah, aan de Habor bij de rivier Gozan en in de steden van de Meden”. (2 Koningen 17:6; 18:11).

Dit was het gebied waar Abraham door God te Haran, in Noord-Syrië geroepen was. Het was dan ook het gebied waar Jakob de moeder van zijn kinderen vond, Rachel, evenals de moeders van zijn andere zonen, waaruit de twaalf leiders der twaalf stammen geboren werden. Het was dan ook hier dat God het verbond met Abraham sloot, zeggende:

a. Ik zal u een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken.

 

b. Ik zal zegenen wie u zegenen, en vervloeken wie u vervloeken, en

 

c. Met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. (Genesis 12:2,3)

In de lijn van ons verhaal richten we ons vooral op het derde deel van de zegen: “Met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden”.

Het is hier om na te gaan waaruit die “zegen” wel zou kunnen bestaan. Zoals we reeds eerder aangaven is het duidelijk dat hier maar een juist antwoord gegeven kan worden, n.l. “De verkondiging door Israël van Gods blijde boodschap, het evangelie over de gehele aarde”. Het huis Juda, waaruit de koning geboren zou worden, werd teruggezonden om de stad en de tempel te herbouwen. Resten de tien stammen, de “verdwenen” stammen Israëls, die niet terugkeerden uit de ballingschap. Gezien de toestand van de ballingen moet het duidelijk zijn dat dit gebeurde met het oog op de toekomst.

Het staat wel vast, dat ze door God geleid zouden worden naar streken, van waar ze gemakkelijk de wereldzeeën zouden kunnen bevaren. “Op Zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten” en “Zingt de Here een nieuw lied, gij kustlanden en zijn bewoners” “ten zij den Here eer geven en zijn lof in de kustlanden vermelden” (Jesaja 42). Deze teksten kunnen een heen wijzing zijn binnen het kader van Gods plan.

Evenals God Jozef op wonderbaarlijke wijze naar Egypte leidde, in een positie waarin het hem mogelijk werd gemaakt om Jakob met al zijn zeventig nakomelingen in het land Gosen te doen verblijven – waar het volk

Israël tot een groot volk gevormd kon worden, zo leidde God – naar velen menen – de tien stammen naar Noordwest-Europa, een zeer gunstige ligging voor het bevaren van de wereldzeeën.

Jezus sprak dat het Evangelie van het Koninkrijk (het herstel van gans Israël 12 Stammen) tot het uiterste der aarde gepredikt zou worden. (Mattheüs 24:14) Op welke wijze zou dit gebeurd kunnen zijn? Als we in dit verband de geschiedenis der laatste vier eeuwen der meevarende volken nagaan, dan blijkt dat o.a. Engeland, Nederland en Scandinavië de zeeën gingen bevaren en handeldrijven, ontdekkingsreizen zijn gaan maken en de volken zijn gaan koloniseren. Spanje en Portugal deden hier wel aan mee, maar zaten toch op, laten we zeggen, een heel andere golflengte.

Gedurende deze reizen, waarbij tenslotte alle volken der aarde bekend werden, werd de gelegenheid geboden het evangelie in deze gebieden te brengen. Amerika, Australië en Zuid-Afrika volgden. In de latere eeuwen stichtten de genoemde landen Bijbelgenootschappen. De missie en de zending gaven vaak leesonderwijs in de eigen taal, voor zover dit nodig was. De zending en bijbelvertalers reikten tot het uiterste der aarde.

Voor Paulus hoorde dit alles tot de mogelijkheden als hij Gods glorie bezingt. (Romeinen 11:33-36) Dwars gaat het in tegen ons verstand en gevoel, tegen alle begrip van mogelijkheden. God maakt het werk af dat Hij begon! Wij kunnen slechts geloven en aanvaarden. Dan is het echter heerlijk bemoedigend, want hoe “de wereld” zich ook wendt en keert, Gods hand is in heel dit wereldgebeuren. Zending is een werk en roeping van God. God doet alles uiteindelijk medewerken ten goede, voor hen die geloven. Maar .. nu terug naar Israël.

Toen kwam het jaar zeventig. Judea en Galilea hadden het Romeinse juk afgeworpen. Een dergelijke nederlaag en uitdaging kon Rome niet over zijn kant laten gaan, zonder terug te slaan.

Nero zond zijn beste veldheer Titus Flavius Vespianus, die zich bij de verovering van Brittannië roemvol had onderscheiden, naar Syrië om de leiding van de veldtocht op zich te nemen. Hij kreeg opdracht het opstandige land te straffen.

In het voorjaar van 67 bevond Vespianus zich met twee op oorlogssterkte gebrachte legioenen, talrijke hulptroepen en zwaar oorlogsmaterieel in Ptolemals. Zijn zoon Titus bracht uit Egypte een derde legioen mee. Tegen een dergelijke overmacht was het land en volk niet opgewassen. Nog voor de herfstregens was geheel Galilea en andere noordelijke gebieden weer in handen van de Romeinen.

Midden in de strijd, toen het gehele land, met uitzondering van de omgeving van Jeruzalem reeds was veroverd, kwam in het jaar 68 bericht van de dood van Nero. Vespianus werd, na het vermoorden van drie opvolgers door de legioenen tot keizer uitgeroepen en hij trok ijlings naar Rome. Het opperbevel liet hij aan zijn zoon Titus over, met de opdracht Jeruzalem te veroveren.

De belegging begon. En zoals Flavius het beschrijft hield Jeruzalem nog stand, ondanks hongersnood. Pas op 9 Ab juli/augustus) kon Titus over bergen lijken en puinhopen tot Jeruzalem doordringen. Slechts een kort ogenblik wordt hem vergund de pracht ervan te bewonderen. Toen werd het heiligdom door een naar binnen geworpen fakkel in brand gestoken en stond al spoedig in lichterlaaie.

Vrijwel op de verjaardag van de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar van Babylon stortte de tempel te midden van rookwolken in elkaar. Nog een maand hield de bovenstad nog stand. Een nacht en een dag stond de bovenstad in brand. En de volgende dag ging de zon op over de rokende puinhopen van Jeruzalem. Dat was het einde, maar tevens de vervulling van twee profetieën: “Geen steen zou op de andere gelaten worden” en “zij werden verstrooid…” (Marcus 13:2 en Johannes 11:52)

De Israël-identiteit

Het is hartverwarmend te zien hoe God, de Schepper van hemel en aarde, Zijn plannen en Zijn beloften onveranderd ten uitvoer legt. De eed en de beloften die God indertijd aan Abraham gaf lopen als een rode draad van vervulling door de gehele Bijbel heen en we beleven in onze dagen en in ons eigen leven de realiteit ervan. Wijzelf hebben deel aan de vervulling van Gods Plannen, en met blijde verwondering en liefdevolle toewijding willen we onze vinger houden op de polsslag van Gods Openbaring.
“Voorwaar, Ik, de Here, ben niet veranderd en gij, kinderen van Jakob, zijt niet verteerd” (Maleachi 3:6)

Binnen het kader van deze brochure leggen we hier de nadruk op het vierde van de acht grote Verbonden die God met Zijn volk sloot. Het verbond dat God sloot met Abraham was in grote lijnen onvoorwaardelijk. Dat wil zeggen God verbond er geen voorwaarde aan. In de aankondiging lezen we respectievelijk:

Genesis 12: 2: Groot volk, met u zullen alle volken gezegend worden.

 

Genesis 15:8: Belofte over Kanaän.

 

Genesis 17:1-8: Vader van menigte van volken en koningen zullen uit u voortkomen.

 

Genesis 17:9: Onderdeel: Verbond der besnijdenis. Dit onderdeel is voorwaardelijk, terwijl het eerder verbond met Abraham juist onvoorwaardelijk is.

 

Genesis 17:16: Koningen van volken zullen uit Abraham voortkomen.

 

Genesis 17:21: Verbond gaat over op Izaäk, niet op Ismaël.

 

Genesis 27:16-20: Abrahams zaad als sterren des hemels en zand der zee poorten der vijanden, zegen voor alle volken.

 

Genesis 26:2-7: Verbond met Izaäk. Valse beloften, onvoorwaardelijk, omdat Abraham gehoorzaamd had. Talrijk nageslacht, zegen dragen.

 

Genesis 27:28: Belofte gaat over op Jakob, niet naar Ezau.

 

Genesis 28:3-5: Isaäk draagt belofte van Abraham aan Jakob over.

 

Genesis 28:10-22: God geeft Jakob zelf Zijn belofte. Geheel onvoorwaardelijk. Het land, talrijk nageslacht. Grote uitbreiding naar alle windstreken. Zegen dragen. Genesis 35:9-15: Opnieuw bevestiging aan Jakob. De naam Israël. Een menigte van volken! (Blijkt later: zegening Efraïm.)

Het onvoorwaardelijk Verbond met Abraham wordt ook genoemd: Het Verbond met Abraham, Isaäk en Jakob en de twaalf aartsvaders, ook genoemd: “De beloften aan de Vaderen”.

Nadat Jakob met God heeft geworsteld en de naam Israël heeft gekregen, vinden we in de Bijbel nog vaak de naam Jakob terug. Jakob blijft de gewone naam; Israël is de Verbondsnaam. Opmerkelijk is nu, dat de naam Israël vanaf Genesis 17 het meest gebruikt wordt in verband met Jozef en zijn zonen.

Wie de moeite neemt Genesis 48 en 49 te lezen (zie ook Hebr. 11:21) zal in de eerste teksten zien dat de beloften aan Abraham, Isaäk en Jakob worden doorgegeven aan Efraïm en Manasse. Efraïm zal worden tot een volle menigte van volken en Manasse zal een groot volk zijn. De vraag is niet òf dit vervuld zal worden, maar hoe en wanneer de vervulling zal plaatsvinden, want Gods Woord staat onwankelbaar vast.

De zegen voor Juda is even opmerkelijk. Juda krijgt de zegen van het koningschap. De koningen uit Juda zullen heersen tot de “komst van Silo”. Dit bijzondere Verbond met Abraham werd gesloten toen hij 75 jaar oud was. (Genesis 12:4) Het besnijdenisverbond daarentegen toen hij 99 jaar oud was.

De naam Israël

Het is verrassend te zien hoe groot de misvatting is, dat de namen Israëliet en Jood synoniem zijn, terwijl zelfs zij die zich bewust zijn van het onderscheid dat de Bijbel maakt tussen die twee, het soms moeilijk vinden het bijbels gebruik met de naam Israël te begrijpen. Het is daarom nuttig het gebruik van de naam in het Oude en het Nieuwe Testament te onderzoeken.

De twaalf stammen van Israël zijn genoemd naar hun voorvader Jakob-Israël (Genesis 28:13-16; 35:10), de kleinzoon van Abraham, de Hebreeër (Genesis 14:13), via Isaäk. Zij worden respectievelijk genoemd: Kinderen van de stammen van Israël, Jakob, Israël, Huis Israëls, Huis van Jakob, of Hebreeën (Genesis 49:28; 1:25; 49:7; Exodus 16:3 l; Psalm 1 14:1,2; Exodus 2:1 l). De naam Jood (Juda) wordt dus gegeven aan een bepaalde groep Israëlieten die veel later in de geschiedenis als afgescheiden, kleiner koninkrijk genoemd wordt (de eerste maal is in 2 Koningen 16:6: Judeeër). Nog later wordt de naam gebruikt voor mensen van verschillende rassen die het Joodse geloof aanvaardden (Esther 8:17, 9, 30). De moderne Joden verschillen namelijk van de oorspronkelijke Joden, die nu een kleine minderheid vormen in de Joodse wereld.

Omstreeks de 15e eeuw v. Chr. kwamen de twaalf stammen in Syrië-Palestina (Trans-Jordanië). Zij vormden onder Salomo en David een verenigd Koninkrijk.

Zo nu en dan werd Juda (één van de twaalf stammen) apart vermeld en onderscheiden (zie 1 Samuel 11:8; 17:52; 18:16; 2 Samuel 2:4-5).
In de 10e eeuw zochten tien stammen, na Salomo, hun vrijheid; door het wangedrag van Rehabeam, de zoon van Salomo, scheidden zij zich af en vonden een onafhankelijk Koninkrijk in hun Noordelijk gebied, Israël.

Juda, waaraan God de stam Benjamin toevoegde (1 Kronieken 11) en enkele van de Levieten bleven over en vormden het Zuidelijk Koninkrijk (1 Koningen 12:14-21; 11:29-36).

Hierna volgden de volken als twee koninkrijken hun eigen geschiedenis en het was noodzakelijk voor de geschiedschrijvers het onderscheid tussen beiden vast te stellen en te handhaven en te letten op de profetieën die hun een verschillende bestemming voorzegden.

Dat het volk Israël (of een deel ervan) Gods lof zou verkondigen – hoe dan ook – moet bewaarheid worden, want God sprak, zoals in Jesaja 43:21 is vermeldt: “Ik de Here, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning. Het volk dat Ik Mij geformeerd heb zal Mijn lof verkondigen”.

Ook hier geldt niet òf het zal gebeuren, maar hoe!

Omwille van de ruimte moeten wij voor het nationaal herstel van Israël naar andere bronnen verwijzen. De Bijbel laat daar geen twijfel over bestaan. Even zeker als het verval, zal ook het herstel zijn. Zie daarvoor het boek Ezechiël 35:17-1.9; 24-29; 37:12-14, 22. “Dan zal Ik u uit de landen waaronder gij verstrooid zijt, bijeenbrengen en Mij aan u de heilige betonen, ten aanschouwen van de volken. En gij zult weten dat Ik de Here ben, als Ik u in het land Israël brengen zal, in het land dat Ik gezworen heb aan uw vaderen te geven”. (Ezechiël 20:41-42)

God heeft echter nog veel met Israël af te rekenen. “Hij zal hen onder de herdersstaf doen doorgaan” (Ezechiël 20:37). “Hij zal nog met hen in het gericht treden” (Ezechiël 20:15) Dit zal zijn in de grote verdrukking/vervolging die Israël zal moeten ondergaan

Wat zegt de Bijbel over Israël?

Het is Gods uiteindelijke bedoeling Zijn schepping te herstellen, volgens een Plan dat Hij vóór de grondlegging der wereld had vastgesteld. Geen ding is geworden (of geschied) zonder dat Hij daar de hand in had.

Het herstel is niet zuiver materieel, maar heeft wel alles te maken met de materiële wereld. Het herstel is ook niet louter geestelijk, maar het is wel een zeer geestelijke zaak. We zullen geestelijk moeten leren denken en daarbij met onze beide benen in de realiteit van dit leven blijven staan. De Here Jezus heeft Zelf gebeden of de Vader ons in deze wereld wil zenden èn bewaren. We staan ermiddenin en hebben er alles mee te maken. Als wij het zout der aarde zijn en het licht der wereld, betekent dat ook dat wij als christenen moeten optreden.

Jezus bidt: “Vader, zoals U Mij in deze wereld gezonden hebt, zo zend Ik hen”. En in die wereld leven we als Uitverkorenen. Als wij Zijn koningschap erkennen en streven naar de handhaving van Zijn wil op alle terreinen van het leven, voldoen wij aan de eisen van Zijn koningschap en zullen wij last krijgen van de overste der wereld, de duivel.

Het is de duivel gelukt de christenen in het westen, inzake Israël te doen geloven dat Gods bedoelingen heel anders zijn dan er in Bijbel staat. Daarom geloven zij niet meer in de koning van Israël en zien zij in het koningschap ook niet meer dan iets geestelijks, nu en voor later.

De uitspraak: “Hij zal als koning heersen over het huis van Jakob tot in eeuwigheid en Zijn koningschap zal geen einde nemen” is geestelijk èn materieel te verstaan.

Het bijbels herstel van Israël

Israël is het onderpand van de nieuwe aarde.

Het lijdt geen twijfel dat de grote ommekeer van Israël tot stand komt onder een bepaald bijbels gegeven: “ … zij zullen zien op Hem, Wien zij doorstoken hebben..” (Openbaring 1:7) Dat wil zeggen dat zij met hartverscheurende spijt zullen constateren dat de verworpen knecht des Heren toch de beloofde Messias was, waar zij zo lang naar hebben uitgezien.

Weten de tien -stammen in de verstrooiing dit reeds?

Gelovend in de spoedige wederkomst des Heren moeten wij derhalve nu ook staan voor de volledige vernieuwing van Israël, hoe gebrekkig en broos dit ook lijkt.

God zegt in Jeremia 33:6: “Ik zal haar genezing schenken en herstellen. Ik zal hen genezen en hun een schat van bestendige vrede ontsluiten. Ja, ik zal een keer brengen in het lot van Juda en Israël en hen opbouwen als weleer”. Wij weten niet in welk tijdsbestek een en ander zich zal afspelen. Wat we wèl zeker weten is dat er nogal wat gebeurt in een zekere spanne tijds.

We worden met verbazing vervuld als we een tekst lezen als in Romeinen 11:23: “Maar ook zij (Israël) zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. Want indien gij uit den wilden olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort weggekapt en tegen uw natuur op den edelen olijf (Israël) geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden”. Er is geen twijfel aan dat met de edele olijf het Israël bedoeld wordt dat deel heeft aan de Verbonden en beloften Abrahams.

Dit kan niet anders betekenen dan dat de gelovigen uit Israël samen met de gelovigen uit de verheidenste 10 stammen ingeënt ingevoegd – worden in dat ene Israël, waarvan God zegt dat Hij “de Heilige Israëls” is. Niet de besnijdenis geldt, maar de nieuwe schepping. (Galaten 5:6; Romeinen 6:15)

God zegt in Amos 9:11-15: “Ik zal een keer brengen” en in Ezechiël 36:27-28 zegt God: “Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn”.

Herstel en toekomst van Israël

Waar ter wereld wij ook wonen, ons thuisland is het land van Israël. Bij elke stap die men in Israël zet, herkent men het Israël van de Bijbel. Zij gingen op naar Jeruzalem: Jeruzalem ligt inderdaad 1000 m hoog. Zij daalden af naar Jericho: Inderdaad ligt Jericho zo’n 400 m onder de zeespiegel. Nathaniël zegt: “Kan er uit Nazareth iets goeds komen?” Galilea, waar Nazareth ligt, is inderdaad nog steeds het achterland (de achterhoek) van Israël, enz.

Nog enkele teksten omtrent het herstel van Israël:

Jesaja 11:12: “Hij zal de verdrevenen van Israël (geen Joden) verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde”.

 

Jeremia 3:18: “In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb”.

 

Jeremia 30:3, 9:”Want de dagen komen dat Ik in het lot van mijn volk Israël en Juda een keer breng”.

 

Jeremia 31:10,12: “Ik zal hen verzamelen”.

 

Jeremia 31:31, 36: Nieuw verbond met Juda en Israël.

 

Jeremia 31:31, 36: “Zo zeker als de zon en de maan bestaan”.

 

Jeremia 32:40: Eeuwig Verbond.

 

Jeremia 50:4-5: Juda en Israël wenend naar Sion. Jeremia 33:12, 15: Woorden over Israël en Juda gaan in vervulling.

 

Ezechiël 34:13: “Ik zal ze uit de landen vergaderen”. Bij de Wederkomst van de Messias, Ezechiël 37:14, 21- 22

 

Ezechiël 36:27,28: Terugkeer naar het land hunner vaderen.

 

Amos 9:11-15: “Ik zal een keer brengen”.

 

Ezechiël 11:17: “Ik zal u vergaderen uit de volken en u bijeenbrengen”.

De twaalf stammen van Israël

We zagen reeds dat uit de directe nakomelingen van Jakob/Israël “het volk Israël” voortkwam, met twaalf stammen genoemd naar de twaalf zonen van Jakob.

Ook lazen we in 1 Koningen 12 hoe van Godswege deze twaalf stammen gescheiden werden in het huis Juda (Juda, Benjamin- en enkele van de Levieten) en het huis Israël (de z.g. den noordelijke stammen), welke laatsten Rebabeam onder zijn gezag poogde te krijgen.

Oppervlakkig lezend zou men zeggen dat een deel van het volk Israël zich verzet heeft tegen de zoon van Salomo, maar vers 24 van 1 Koningen 12 zegt: “… want door Mij is deze zaak geschiedt..”

God heeft dus met een bepaald doel de twee groepen gescheiden. De ene groep kwam terug uit de Babylonische ballingschap en de andere werd – naar Gods plan uitgestoten en in vergetelheid gebracht Waar zijn de tien stammen van “Gods volk” gebleven? Het Nieuwe Testament spreekt met verbazingwekkende zekerheid over twaalf stammen. Daar is geen twijfel over.

Ook over “de stammen in de verstrooiing”. Hiertoe de volgende voorbeelden:

Mattheüs 10:6: “Begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls”.

 

Mattheüs 15:24: “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls”.

 

Handelingen 26:6-7: Paulus zegt: “Welke (belofte) onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren hopen te bereiken”

 

Handelingen 1:6:”Herstelt Gij heden het koningschap over Israël?”

 

Mattheüs 19:28: “Gij die Mij volgt, zult de twaalf stammen Israëls richten”.

 

Lucas 22:30: Tronen om twaalf stammen te richten. Jakobus 1:1: “Aan de twaalf stammen in de verstrooiing”.

 

Openbaring 20:14: Nieuw Jeruzalem met de twaalf poorten met de twaalf namen van de twaalf stammen Israëls.

 

Openbaring 7:4-8: 12.000 uit de twaalf stammen Israëls.

 

Hebreeën 8:8: Nieuw Verbond met Huis Juda en Huis Israël.

Ook het Oude Testament spreekt veel over het herstel van Israël.

De plaats en de toekomst van Israël behoort niet aan discussie onderhevig te zijn. Paulus schrijft aan de Romeinen: “Immers, zij zijn Ismaëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften; hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid”.

De samenvoeging (openbaar worden) van Israël is hierin vervat. Toch is Gods einddoel niet Israël, noch de Gemeente op zichzelf, maar het herstel van Zijn schepping, “de wereld” tot deze de vorm heeft van Zijn oorspronkelijke plan. “Want alzo lief had God Zijn wereld …”En “Het Koninkrijk Gods zal gepredikt worden tot het uiterste der aarde”.

Al Gods handelen hierin heeft ten doel: Jezus Christus aanvaard te doen zijn als Messias en koning. God maakte een plan. Eén plan – van vóór de grondlegging. Er is niets en niemand die de uitvoering hiervan kan beletten. Dit plan omvat één uitverkoren volk, één Israël.

Als de Bijbel spreekt over het komende vrederijk, dan staat daarin Israël centraal. Jesaja 2 zegt dat alle volken en naties zullen optrekken naar Jeruzalem om geleerd te worden aangaande Gods wegen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem.

Waarschuwend klinkt het in Zacharia 14:17 “Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken, om zich voor de koning, de Here der heerscharen neder te buigen (om het Loofhuttenfeest te vieren), op hem zal geen regen vallen”.

Jeruzalem, de omstreden stad van God zal heten: Jehovah Shannah. Dat is “De Here is aldaar”. (Ezechiël 48:35)

De bekering van Israël is de absolute voorwaarde voor geestelijk en materieel herstel van Israël. “De Here zal een keer brengen na berouw en hen dan brengen naar het land dat uw vaderen bezeten hebben en u talrijker maken dan uw vaderen” (Deuteronomium 30:4-5).

Het jaar 1917 bracht de eerste aanzet tot het herstel van Israël. Jesaja 31:5 zegt: “Als vliegende vogels, zo zal de Here der heerscharen Jeruzalem beschutten, beschuttend redden en sparend bevrijden”. Dit was voor generaal Allenby die Jeruzalem bevrijdde van de reeds 350 jaar durende bezetting door de Turken, aanleiding om de opdracht te geven dat er bij het bevrijden van Jeruzalem geen schot gelost mocht worden. Hij legde in een hoefijzervorm zijn leger rond de stad, waardoor de Turken konden vluchten, “want God zou Zelf Jeruzalem bevrijden”. Verder kende hij het boek van Grattan Guinnes, die reeds in 1888 berekend en geschreven had, dat de bevrijdingsdag (de eindtijd der heidenen) in 1917 zou zijn. De “arendsvleugelen” van Jesaja waren de kleine dubbeldeksvliegtuigjes, die hij uit Egypte had laten komen. God vervulde Zijn belofte. (Wij hebben daar een authentieke film en video van.)

Als wij spreken over het herstel van Israël hoeven we slechts de Bijbel open te slaan. Wat zal de toekomst brengen? Het volk in Israël staat nog een vreselijke tijd te wachten. Genoemd worden Gog en Magog, het leger uit het Noorden, de strijd in het gebied van Armageddon, enz.

Maar daarna ….

Jesaja 61:4-6 leert ons: “Zij zullen de oude puinhopen herbouwen …. Vreemden zullen gereed staan om voor u de kudden te weiden, vreemdelingen zullen uw akkerlieden en wijngaardeniers zijn; maar gij zult priesters des Heren heten, dienaars van onze God genoemd worden”.

Zacharia 8:23 profeteert: “In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met u is”.

Jesaja 2:3 leert ons aangaande het komende vrederijk: “Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem”!

Joël 3:16b overtuigt ons met de woorden: “Maar de Here is een schuilplaats voor zijn volk, en een veste voor de kinderen Israëls. En gij zult weten, dat Ik de Here uw God ben, die troont op Sion, mijn heilige berg, en Jeruzalem zal een heiligdom zijn, en vreemdelingen zullen er niet meer doortrekken”.
Voor de oude wereld breekt spoedig de dageraad aan van een nieuwe eeuw, waarin vrede en gerechtigheid zal heersen en het verkeerde weer rechtgezet zal worden.

De Bijbel werpt licht op een schijnbare imitatie daarvan, geleid vanuit de duisternis. Deze brochure, waarin we iets van de grootheid van Gods Plan mogen ontdekken, vormt hiertoe een geëigend tegenwicht. Die komende eeuw behelst tevens het duizendjarig vrederijk, het millennium, waarvan de komst aanstaande is, en waarvan de beloofde tekenen zich voor onze ogen ontwikkelen. Evenals bij elk tijdperk, zien we hoe in rijke bewoordingen, vanuit het geschreven woord van God, Zijn plan en doel voor de komende tijd worden afgeschilderd. Het evangelie van het Koninkrijk – Het Goede Nieuws – of “Het naderend vrederijk van Jezus Christus op deze aarde” vormt het centrale thema van dit verhaal. Veel ervan zal revolutionair klinken in de gedachten van velen onzer in deze dagen. Het verhaal openbaart zich in een vermoeide wereld, waarin de mensen op zoek zijn naar rust en waarachtig geluk, maar toont ons tevens de dwaasheid van wereldse wijsheid en toont een goddelijke onfeilbare weg van wet en orde, zoals God dit in Zijn Plan en in- Zijn Woord heeft vastgelegd.

En we hadden het kunnen weten…Deze omschrijving van heden, verleden en toekomst – waar wij bij betrokken zijn, kan een hulp zijn voor hen, die naar de waarheid zoeken

{"email":"Email address invalid","url":"Website address invalid","required":"Required field missing"}

Over mezelf

In 2011 kwam ik in aanraking met de Israël Waarheid. Ik heb daarvoor vele kerken en bijeenkomsten bijgewoond. Maar toch besefte ik dat er iets niet klopte. Dankzij Kolonel G.J. van Loon, die helaas in 2018 is overleden, kwam ik tot ontdekking hoe ik de Bijbel moest lezen. De Bijbel is niet langer een gesloten boek voor mij waardoor alle woorden in de Bijbel logisch te verklaren zijn. Ik leerde dat de Bijbel een geschiedenisboek is door en voor Israël!


Volg mij op:

Heb je deze artikelen al gelezen?


De naam
Voor de dag van Pinksteren 33 n. Chr.
De waarheid over de Dode Zee Rollen.
Dus wie waren de Masoreten?
Een beetje meer over de Septuagint.
Nu de heilige naam.
We beginnen met de Sefardische.
De Hoe en het Waarom
Wie zijn dan de Joden?
Wie is Abrahams zuster, wie is zijn vrouw?
>